Wegwijzers en straatnaambordjes zijn nergens te bekennen. Of ze echt nodig zijn, is de vraag. De weg van Goa naar Agonda kent geen afslagen. En dus tuffen we rustig langs vrouwen met zware manden op het hoofd, voort ploeterende vrachtwagentjes die ieder moment door hun als lijken te zakken en zichzaggen we tussen koeien door die in dit land heilig zijn. Ze zijn het symbool voor vruchtbaarheid, al heb je daar wel veel fantasie voor nodig als je de magere scharminkels ziet.
De dichter we bij Agonda komen, de dichter het woud links van ons wordt. Om de paar kilometer staat er een bordje bij, dat vermeldt dat het woud eigendom is van de provinciale regering van Goa en dat het bos beschermd wordt, zodat het dienst kan doen als co2-snoeper en groene long. India mag voor veel mensen een grote vuilnisbelt zijn, Goa denkt aan het milieu en de natuur. Deels uit idealisme, maar grotendeels ook uit economisch oogpunt. De voormalig Portugese kolonie moet het immers hebben van het toerisme. Na een klein uur rijden stuitten we voor het eerst op een miniscuul houten bordje dat meldt dat Agonda links af is. De afslag die we moeten nemen, heeft weinig weg van een weg, maar lijkt meer op een zandpad met meer kuilen dan stenen erin. Skaikh Zamir, mijn chauffeur, kijkt me even onderzoekend aan en meldt dat hij nog nooit in Agonda geweest is. Dus tjah, waar hij naar toe moet...? Voor ik kan zeggen dat ik het ook niet weet, verzekert hij me geruststellend: ,,We will find Fatima Guesthouse.'' Die opgave blijkt niet al te moeilijk te zijn. Agonda is een lange straat, waar ons hobbelige zandpad op stuit. Veel meer keus dan links of rechts hebben we niet. En hulp komt er snel aan. Het toeristisch seizoen begint pas half november, dus iedere blanke die nu aankomt betekent extra geld. In no-time staan er een aantal mensen bij de taxi, die teleurgesteld zijn dat ik al een kamer geregeld heb, maar die tevens hulpvol de weg wijzen. Bijna aan het einde van de weg ligt Fatima Guesthouse aan onze linkerkant. Een groot wit huis, met een veranda met eveneens witte pilaren en een knaloranje leuning. Voorafgegaan door een erf met vijf palmbomen en een waterput. Op het eerste gedeelte van het erf probeert het gras verwoed de strijd van het gravel te winnen. Daarachter ligt een mozaikvloer van witte tegeltjes. Overal zijn schilders aan het werk om het guesthouse in orde te maken voor het toeristenseizoen. De manager van het restaurant, dat meteen rechts van het guesthouse zit, begroet me zodra ik de taxi uitstap. Als hij mijn grote rugzak en kleine dagrugzak ziet staan, besluit hij me te helpen. Zijn keus valt op de kleine. ,,Minder sjouwen.'' Mijn kamer bevindt zich op de eerste etage. Een oude, houten deur met antiek, koper beslag biedt toegang tot een romantische ruimte, met drie gele en een oranje muur. Op de marmeren vloer staat een houten bed met klamboe erover. De beige, plastic tuintafel wordt aan het zicht ontrokken door een bruin kleed. Eveneens plastic. Links in de hoek is een klein gangetje met witte tegels met groene strepen. Het motief is zo oud dat het bij ons weer in is. Dezelfde tegels bekleden de badkamer. Op de vloer liggen donker groene tegels. Wasbak en 'Europese' toilet hebben dezelfde kleur. De douche - zonder gordijn of wat dan ook - zit verrassend genoeg in het midden. Wc-papier ontbreekt. In plaats daarvan staat een emmer water naast de pot. Als ik mijn bruine, bebloemde gordijnen opensla en door de betraliede ramen de matglazen luiken openduw, kijk ik uit over zee. De zon kleurt langzaam oranje en begint aan zijn tocht naar zee. Nieuwsgierig informeer ik waar de yogahal is. Fatima wijst naar boven. Daar. Op het dak.  |