|
Crossen met jeeps, op je buik een zandheuvel af racen, drinken rond het kampvuur en plonzen in een diep blauw meer. Fraser Island is het paradijs voor de Australië-ganger. Door John Kraijenbrink Zweet drupt van mijn voorhoofd, mijn voeten zakken weg in het kurkdroge zand. Beide handen en mijn linkerschouder staan schrap tegen de achterdeur van de jeep voor me. Mijn beenspieren spannen zich voor een laatste, ferme duw. Naast me het gekreun van andere backpackers. Spinnende wielen, nog één krachtsexplosie, dan schiet de jeep vooruit en tuimelen we bijna voorover. Dis is Fraser Island: zand, zand en nog eens zand. Met 120 bij 15 kilometer is het het grootste zandeiland ter wereld. Asfalt ontbreekt. Wegen zijn overal van zand. Zelfs het strand geldt als snelweg met daarop van kracht zijnde verkeersregels. De enige auto die hier iets te zoeken heeft, is er een met 4-wiel-aandrijving. Zonder goede chauffeur komen ook die vast te zitten, blijkt als ik binnen anderhalf uur vijf keer een wagen voor ons vlot moet duwen.
Avontuur Maar juist dat is het avontuur dat iedereen op Fraser Island zoekt: georganiseerd of ongeorganiseerd crossen met auto’s, wandelen door subtropisch regenwoud, kampvuur op het strand, kamperen in the middle of nowhere en dronken worden onder een prachtige sterrenhemel. En zwemmen, want het eiland telt ruim 200 meren. Perfect, omdat zwemmen in zee door de gevaarlijke onderstromingen en de aanwezigheid van haaien ten strengste wordt afgeraden. Drie kwartier nadat we de vijfde en laatste auto hebben vlot geduwd, nemen we een snelle duik in Lake McKenzie. Voordeeltje voor de dames; de zuurgraad van het water laat juwelen weer blinken. De verfrissing is een ideale, maar vergeefse, want nog maar net opgedroogd, worden we door gids Graham (cowboylaarzen, gemillimeterd haar, baard van twee dagen en oorbelletje) alweer de wagen in-, en een half uurtje later weer uitgejaagd voor een bushwalk. Schichtig Het eiland mag dan naar Australische afmetingen relatief klein zijn, er valt genoeg te zien tijdens lange wandelingen. Subtropsich regenwoud bijvoorbeeld: nat, drassig met bomen die tot aan de hemel reiken, dikke stammen, waar je gehurkt in kan zitten, beekjes waar je uit kan drinken, tweehonderd soorten vogels die overal rondfladderen, wilde paarden die zich hier en daar schichtig laten zien, spinnen ter grootte van een vuist. En de Sitanay-boom, een boomsoort die alleen op Fraser groeit en die bijna de ondergang van het eiland betekende. De boom is uitstekend bestand tegen zeewater en werd vanaf 1860 volop gekapt, voor bijvoorbeeld de aanleg van het Suez-kanaal. Pas in 1991, na een felle strijd van milieuactivisten, stopte de houtkap. Twee jaar later kreeg het eiland een plaats op de Wereldmonumentenlijst. Avontuur Central Station, de centrale plaats waar voorheen de vrachtwagens de boomstammen ophaalden, doet nu nog dienst als rust- en luchtpunt voor wandelaars. Voor ons de laatste halte, voordat we terugkeren naar het Kingfisher Bay-resort. Geen kamperen in het wild, maar een luxe hostelkamer omdat we kozen voor een meer informatieve tour in plaats van een eigen avontuur. Normaal niet zo’n probleem, maar de eerste avond blijkt de groep van achttien maar weinig feestgangers te bevatten. Iedereen duikt al vroeg onder de lakens, behalve een Ozzie uit Brisbane, twee Canadezen en mijn Duitse reisgenoot. Drankspelletjes, drugsexperimenten en het ‘natuurlijk schoon’ dat Fraser zo’n goede reputatie geeft onder backpackers gaan dit keer aan ons voorbij; te veel kleverige stelletjes en te veel klittende, niet-Engels sprekende Japanners in onze groep. Het doet zelfs de gids, die maar kannen vol bier blijft aanslepen, diep zuchten. Niet feesten blijkt ook zijn voordeel te hebben. De volgende morgen worden we extreem vroeg, 8.00 uur ’s ochtends, al weer aan het ontbijt verwacht. Met de scrambled eggs met spek nog onverwerkt in de maag hotsen en klotsen we over Seventy Five Mile Beach naar het wrak van de Maheno, een voormalig passagiersboot. Deze liep tijdens een orkaan in 1935 op het strand vast. Verschillende pogingen om het weer de zee in te slepen mislukten, waarna de Australiërs het inmiddels weggeroeste karkas maar hebben laten liggen als publiekstrekker. Zandheuvels De roodbruine roestkleur is, samen met blauw, zwart, geel, rood, oranje, ook te vinden in de Cathedrals; zandrotsen die 25 kilometer lang uitgestrekt de grens tussen strand en binnenland vormen. Maar echt interessant wordt het pas als we de sightseeing de sightseeing laten en stoppen in een grote zandduinformatie, die me doet denken aan de Loonse en Drunense duinen, maar dan met hogere zandheuvels. Hier komt het bodyboard te voorschijn en racen we met ongekende vaart keer op keer op onze buik, al zandhappend, de steile duinen af. De laatste dag herhalen we dat kunststukje. Dit keer wacht er onderaan de helling alleen geen zandvlakte, maar schieten we over en gaan kopje onder in Lake Wabby, een donkerblauw meer, aan drie kanten omgeven door eucalyptus woud. De laatste duik op Fraser Island, voordat we bedroefd terugkeren naar het vaste land van Australië. |