|
,,We hebben uit 1-0 verloren. Mooi, dat zetten we thuis wel even recht.'' Het is een uitspraak die menig voetbaltrainer na een verloren Europacupwedstrijd doet. Maar waarom? Thuis is het gras ook groen, zijn de goals even groot en duurt de wedstrijd gewoon negentig minuten. Een zoektocht naar de zin en de onzin van thuisvoordeel in de sport. JOHN KRAIJENBRINK EN HANS BOENDER DORDRECHT ,,Als Feyenoord thuis verliest, ligt dat aan Feyenoord zelf, niet aan de tegenstander. Met zo'n publiek kun je niet verliezen,'' stelt Gérard de Nooijer. Het gevoel dat de huidige aanvoerder van FC Dordrecht anderhalf jaar lang had, toen hij in Rotterdamse dienst voetbalde, wordt onderbouwd door diverse wetenschappers in binnen- en buitenland. Stuk voor stuk constateerden ze dat een ploeg of atleet die in eigen huis zijn wedstrijden afwerkt, in het voordeel is. Dat geldt zowel voor individuele atleten als voor teamsporters als voor landen die voor eigen publiek bijvoorbeeld meedoen aan een Wereldkampioenschap voetbal of aan de Olympische Spelen. ,,In de wetenschappelijke literatuur zijn vier redenen bekend waarom een ploeg die thuis speelt beter presteert,'' doceert professor R. Koning, hoogleraar Sporteconomie aan de Rijks Universiteit in Groningen. ,,Het publiek, de bekendheid met de lokale omstandigheden, de reistijd en de spelregels hebben invloed op de uitslag van de wedstrijd. Iedere factor heeft zijn eigen, relatieve inbreng.''
Thuispubliek Een avondje NAC, De Graafschap-uit, een kolkende Kuip; het zijn inmiddels begrippen geworden in Nederland. En waarom? Door de massale en fanatieke aanwezigheid van het thuispubliek. Een schreeuwend, vol stadion zweept de thuisspelende ploeg op en overdondert de gasten. In de volksmond wordt al snel gesproken van 'de twaalfde man' en ook de frase 'het kan daar behoorlijk spoken' is gemeengoed. ,,Als je met Feyenoord het veld op komt, sta je al met 1-0 voor,'' verduidelijkt De Nooijer. ,,Het massaal aanwezige publiek, de tunnel waar je doorheen moet: het imponeert. Die factoren geven je als speler een extra stimulans, terwijl de tegenstander zich kleiner voelt. Bovendien speel je twee keer 45 minuten naar je eigen toeschouwers toe. De fans van de tegenstanders vallen tussen die 51.000 Feyenoord-supporters niet op.'' Volgens De Nooijer zijn de fans en het imponerende stadion de voornaamste redenen waarom Feyenoord thuis weinig verliest. ,,Vreemd,'' erkent hij zelf. ,,Je zou toch zeggen dat als je thuis altijd goede resultaten haalt, dat uit ook het geval moet zijn. Maar toch werkt het blijkbaar niet zo.'' Uit-itis noemt de Engelse schrijver Desmond Morris dat fenomeen in zijn boek Het spel om de bal. ,,Uit-itis is een kwaal waaraan alle bezoekende elftallen lijden wanneer ze op vijandig territorium spelen. De voornaamste oorzaak volgens Morris is de vijandigheid die ze op het vreemde terrein voelen. Een van de verschijnselen is een sterk verminderd vermogen om uitwedstrijden te winnen en uitdoelpunten te scoren.'' Morris ondersteunt zijn bevindingen met onderzoek dat hij in Engeland deed in de periode 1946-1979. De resultaten van een enorm aantal wedstrijden werden op een rijtje gezet. Conclusie: de thuisspelende ploeg heeft ruim twee keer zo veel kans (2,1 om precies te zijn) om een thuiswedstrijd te winnen dan een uitwedstrijd. Morris herhaalde het onderzoek voor verschillende perioden en verschillende divisies en kwam steeds uit op ongeveer dezelfde verhoudingen. ,,Alleen de topclubs blijken minder bang te zijn voor uitterreinen, maar ze zijn toch niet in staat om de vloek geheel van zich af te schudden,'' vervolgt hij in zijn boek: ,,Dit toont de enorme invloed van de territoriumfactor bij voetbal aan''. FC Dordrecht-trainer Jurrie Koolhof kampte vorig seizoen met zijn werkgever AGOVV Apeldoorn met de uit-itis. AGOVV won bijna iedere thuiswedstrijd, uit werd steevast verloren. ,,Waar dat aan lag, weet ik niet. We speelden uit hetzelfde als thuis, maar verloren toch steeds. We hebben met zijn allen lopen zoeken naar een verklaring, maar kwamen er maar niet achter.'' Lokale omstandigheden Bij AGOVV had het verschil tussen thuis en uit misschien niet al te veel met het publiek te maken, maar eerder met de lokale omstandigheden. De club speelt dit jaar immers pas voor het derde jaar op het hoogste niveau. De ligging van het stadion in de bossen van Apeldoorn is heel mooi, de accommodatie zelf is nog die van een amateurclub. Luxe ontbreekt. De thuisploeg is daar aan gewend, voor de uitploeg is het meestal schrikken. Een verhaal dat jaren geleden ook op ging voor RKC Waalwijk, toen die club net toegetreden was tot de rijen der profs. Het stadion werd betiteld als fietsenstalling. ,,Onze kleedkamer was wel van hout, maar die had nog een zekere luxe. Het bad was zelfs het beste dat ik ooit heb gehad,'' herinnert oud-speler Marco Boogers zich. ,,Voor de tegenstander was het echter echt heel slecht, een kippenhok. Ik weet nog dat Ajax een keer op bezoek kwam. Jongens als Clarence Seedorf en Frank Rijkaard stonden op de gang met hun tas in de hand te wachten, omdat ze nog niet naar binnen mochten. Het vierde van RKC was zich namelijk nog aan het omkleden. Dat had zojuist een wedstrijd op een van de bijvelden gespeeld. En na afloop van de wedstrijd was er nooit warm water voor de tegenstander. RKC had namelijk een oude boiler, die had zes uur nodig om op te warmen. Die zaken leidden toch altijd tot irritatie bij de tegenstander.'' Een ander geintje dat RKC uithaalde en een aantal 'mindere' clubs nog steeds uithaalt als een topclub op bezoek komt, is het gras langer laten groeien. Topploegen als Feyenoord, Ajax en PSV hebben graag een gemaaide mat met kort gras, omdat de bal dan sneller rolt, wat het positiespel en de snelheid van de aanvallen ten goede komt. Langer gras stremt juist en dat komt verdedigend spelende clubs goed uit. En dan zijn er nog de clubs die beschikken over kunstgras: Heracles Almelo, Cambuur Leeuwarden en Omniworld. ,,Ook die zijn door hun veld in het voordeel’’, erkent Roel de Kruijk. De oud-jeugdspeler van RKC Waalwijk voetbalt inmiddels bij derdeklasser Ameide, dat eveneens op kunstmatig gras speelt. ,,Wij trainen ook altijd op dat veld en spelen daardoor net een tempo hoger dan onze opponent . Tegenstanders moeten bovendien minimaal twintig minuten wennen aan het veld en als je er dan al twee in het netje hebt liggen, heb je de wedstrijd al bijna gewonnen.'' Arbiter Net als de tegenstander geïmponeerd is door het massaal juichende en joelende publiek, is menig arbiter dat ook, al zullen ze dat nooit zelf erkennen. Koning: ,,Het is wetenschappelijk bewezen dat vooral boksers en turnsters veel voordeel hebben als ze voor eigen publiek optreden. Dat zijn sporten die door een jury beoordeeld worden. Dat oordeel is altijd subjectief.'' Kinderdijker Ad van Meerkerk, voormalig betaald voetbalscheidsrechter, heeft weinig last gehad van de invloed van het publiek. ,,Ik heb nog nooit een strafschop gegeven, wel toegekend. Natuurlijk moet je als je later de televisiebeelden terugziet, zonder het gejoel van het publiek, wel eens constateren dat je ergens ingetrapt bent, maar dat is iets anders. Een scheidsrechter neemt soms tweehonderd beslissingen per wedstrijd, dan kunnen ze niet allemaal goed zijn.'' De huidige lichting scheidsrechters wordt in ieder geval voorbereid op een massaal fluitende Kuip via weerbaarheidtraining. Of dat afdoende is, is de vraag. Een aantal jaren geleden werd een onderzoek uitgevoerd, waarbij scheidsrechters naar een wedstrijd op televisie keken en vervolgens van een aantal situaties moesten aangeven wat zij zouden beslissen. De ene groep keek zonder geluid, de andere groep met geluid. De groep die keek met geluid besliste veel vaker in het voordeel van de thuisploeg dan de groep die zonder geluid keek. De uitkomsten van dat onderzoek bevestigen het gevoel dat Koolhof heeft: ,,Er zijn nog genoeg scheidsrechters die in de entourage meegaan.'' Reis ,,Toen ik bij Heerenveen speelde, hadden we thuis een gevoel van onoverwinnelijkheid,'' vertelt Gérard de Nooijer. ,,We wisten dat we alleen konden verliezen als we zelf ongeconcentreerd zouden zijn. Dat geeft vertrouwen, waardoor je extra goed speelt.'' Een bijkomend voordeel voor de Friezen was dat iedere ploeg die naar Heerenveen moest, een aantal uur per bus onderweg was. Waar een thuisspeler zich op zijn gemakje in vertrouwde omgeving kan voorbereiden, daar moeten de gasten lange tijd opeengepakt stilzitten. Die reis is een nadeel, vindt De Nooijer. ,,Als je de bus instapt en je bent in de winning mood, is zo'n lange reis niet erg. Maar als de vorm en het vertrouwen er niet zijn, wordt de reis gevoelsmatig alleen maar langer.'' Koolhof onderstreept die gevoelens. ,,Je zit met zijn allen op een paar vierkante meter. Dat is een heel slechte warming-up. Je bent na zo'n lange rit stijf en hebt spierpijn. Het is niet voor niets dat passagiers die lang in een vliegtuig zitten, tegenwoordig oefeningen krijgen.'' Al die factoren samen maken van uit-itis een ongeneeslijke ziekte. Een lange reis, twijfel over de eerlijkheid van de arbitrage, een vreemde omgeving en vijandig publiek gaan ongemerkt rondspoken in het hoofd van de uitspelende ploeg. Morris in zijn boek: ,,Door de opgehoopte indrukken van de dag zijn de bezoekers nu langzamerhand zo beladen met negatieve gevoelens over hun rol als verafschuwde indringers dat ze, als het startsein wordt geblazen, aan de wedstrijd beginnen met een ernstig psychologische achterstand. Dit is de oorzaak van de uit-itis en de slechte resultaten. De invloed hiervan is zo groot, dat een willekeurig team dat dit probleem zou weten te overwinnen al gauw kampioen zou worden.'' |